Jaargang 21
Nummer 5 - mei 2023
Fred de Vries - Auteur

De wetenschap is nieuwsgierig

Wetenschappers hebben een onderzoekende geest, een inquisitive mind, zoals de Engelsen zeggen. Daarom willen ze soms ook weten of een voedingsmiddel uit verschillende bronnen dezelfde voedingswaarden heeft of dezelfde effecten op je lichaam heeft.

Een eerste voorbeeld:
De eiwittransitie, de overgang van dierlijk naar meer plantaardig eiwit, staat volop in de belangstelling. Het is inmiddels duidelijk dat meer plantaardig en minder dierlijk eten belangrijk is voor onze gezondheid en het milieu. Maar hebben plantaardige eiwitbronnen wel voldoende kwaliteit om aan de eiwitbehoefte van de mens te voldoen? Recent deed prof.dr. Luc van Loon met zijn team onderzoek naar het effect van aardappeleiwit, in vergelijking met melkeiwit, op de spieraanmaak in rust en tijdens herstel na een lichamelijke inspanning.

Er zijn twee factoren die veel invloed hebben op de aanmaak van spieren: inspanning en voeding. Als we naar de voeding kijken, dan speelt met name de eiwitconsumptie een grote rol. We weten dat dierlijk eiwit een hoge kwaliteit heeft en dat een consumptie van 20 tot 25 gram direct de spieraanmaak stimuleert. Het blijkt dat het niet uitmaakt of je die eitwittten uit dierlijke of uit plantaardige bron consumeert. Je lichaam verwerkt ze op precies dezelfde manier.

Melk bevat ongeveer 3,5% eiwit. Dus om dagelijks 20 tot 25 gram melkeiwit binnen te krijgen, zou je per dag 0.6 liter tot 0.7 liter melk moeten drinken.

Aardappelen bevatten ongeveer 1,5% eiwit. Dus om dagelijks 20 tot 25 gram aardappeleiwit binnen te krijgen, zou je per dag 1,7 tot 2 kilo aardappelen moeten eten[1].

Met andere woorden: die overgang van dierlijk eiwit naar plantaardig eiwit is niet zo eenvoudig als ons soms in de media (of door onnozele influencers) wordt voorgeschoteld. Je dient dagelijks wel erg veel plantaardig eiwit te consumeren om tot dezelfde hoeveelheden te komen als bij dierlijke eiwitten.




Handboek PDD-NOS Column: mei 2023

Een tweede voorbeeld:
Visolie is rijk aan omega-3-vetzuren die van groot belang zijn voor de gezondheid en het voorkomen en/of remmen van uiteenlopende chronische (ontstekings)ziekten. Denk hierbij (volgens het Voedingscentrum) aan een lagere kans op hart- en vaatziekten, een lagere bloeddruk (bij mensen met een verhoogde bloeddruk die verder geen medicijnen gebruiken), het verhogen van het LDL-cholesterol (te veel LDL-cholesterol is juist niet goed voor de bloedvaten) en een verminderdekans op slecht leergedrag, depressiviteit en dementie.

Nu wordt visolie voornamelijk gewonnen uit vissen en krill. Die bronnen zijn echter niet onuitputtelijk en dus is de wetenschap op zoek gegaan naar een andere bron van visolie. Die bron is gevonden in een piepkleine kreeftachtige, de Calanus finmarchicus. Het is een zogenaamde zooplankton die in supergrote aantallen voorkomt in de noordelijke Atlantische Oceaan en aangrenzende wateren. Het bevissen van deze organismen is daarom zeer duurzaam.

Een recent onderzoek heeft eens bekeken of de calanusolie net zo goed wordt opgenomen door het menselijk lichaam als de visolie (of krillolie)[2].

Het bleek dat er geen verschil was en dat deze olie bovendien een bron is van SDA (stearidonzuur), een omega-3-vetzuur dat zich door het lichaam gemakkelijk laat omzetten in EPA (eicosapentaeenzuur) en DHA (docosahexaeenzuur).

[1] Pinckaers et al: The Muscle Protein Synthetic Response to the Ingestion of a Plant-Derived Protein Blend Does Not Differ from an Equivalent Amount of Milk Protein in Healthy Young Males in Journal of Nutrition : 2023
[2] Vosskotter et al: Equal bioavailability of omega-3 PUFA from Calanus oil, fish oil and krill oil: A 12-week randomized parallel study in Lipids : 2023