De laatste jaren lijkt het alsof (de termen) ADHD en autisme overal opduiken. Steeds meer kinderen, jongeren en volwassenen krijgen een label dat vroeger was voorbehouden aan een veel kleinere groep.
Wetenschappers beginnen te ontdekken dat de drempel voor een diagnose zo breed is geworden dat mensen met en zonder diagnose elkaar nauwelijks nog van elkaar kunnen worden onderscheiden. De kenmerken die traditioneel bij ADHD en autisme hoorden, zijn in een decennium tijd verschoven, afgezwakt of anders verklaard. Tegelijkertijd zien artsen een duidelijke toename van mildere gevallen, waarbij de grens tussen 'normale variatie' en 'stoornis' steeds onduidelijker is geworden.
In het Verenigd Koninkrijk is het aantal diagnoses van ADHD in twintig jaar tijd ongeveer twintig keer zo hoog geworden. Twintig keer! Verwijzingen naar specialisten stegen het afgelopen jaar met nog eens twintig procent. Ook autisme wordt veel vaker vastgesteld: naar schatting zijn er ongeveer 700,000 autistische Britse kinderen, en tussen 1998 en 2018 nam het aantal diagnoses toe met bijna 800 procent. Deze cijfers roepen belangrijke vragen op. Is er werkelijk sprake van een epidemie? Zijn er werkelijk in korte tijd zoveel 'probleemgevallen' bijgekomen? Of verandert vooral de manier waarop we kijken naar gedrag, ontwikkeling en verschillen tussen mensen?
Professor Uta Frith, een van de grondleggers van het moderne autismeonderzoek, waarschuwde (pas) onlangs dat de definitie van autisme sinds de jaren veertig van de vorige eeuw enorm is verbreed. Waar autisme oorspronkelijk verwees naar een superkleine groep kinderen met ernstige sociale en communicatieve problemen, kan tegenwoordig vrijwel iedereen, ongeacht diens leeftijd, intelligentie of achtergrond, gediagnosticeerd worden als hij of zij aan een reeks nogal vage criteria voldoet. Volgens Frith is dat niet per se verkeerd, maar het maakt de populatie van gediagnosticeerden veel heterogener. Mildere gevallen worden zichtbaarder, terwijl de zwaarst getroffen groep juist minder opvalt in de statistieken.
Een grote Deense studie van Aarhus University onderzocht de gegevens van 2,194,951 kinderen en pubers. Daarvan werden 100,323 personen (4.6%) gediagnosticeerd met ADHD of autisme[1]. In die periode steeg het aantal diagnoses in dat land met 86 procent. Wat vooral opvalt, is dat klassieke risicofactoren, zoals een laag geboortegewicht, lage sociaaleconomische status of beperkte scholing van de ouders, veel minder sterk samenhangen met een diagnose van autisme of ADHD dan tien jaar geleden. In 2012 hadden kinderen met een laag geboortegewicht nog ruim vijftig procent hogere kans op een diagnose. In 2022 was dat gedaald tot zeventien procent. Ook het verband tussen lage ouderlijke scholing en ADHD nam sterk af: waar in 2012 een op de vier gediagnosticeerde kinderen een laagopgeleide moeder had, was dat in 2022 nog maar een op de zeven.
Handboek PDD-NOS Column: oktober 2026
De onderzoekers bekeken negentien kenmerken, waaronder gezinsinkomen, samenwoonstatus van ouders, ouderlijke gezondheid, leeftijd bij geboorte en het gebruik van huisarts- of psychologische zorg voorafgaand aan de diagnose. Hun conclusie is dat kinderen die tegenwoordig ADHD of autisme krijgen, qua achtergrond en kenmerken steeds meer lijken op kinderen zonder diagnose. De populatie schuift op richting de algemene bevolking.
Volgens de onderzoekers komt dit doordat mildere gevallen tegenwoordig vaker als 'beperkend' worden gezien. De definitie van wat als een
impairment geldt, is verschoven. Waar vroeger vooral ernstige gevallen werden herkend, worden nu ook lichtere varianten gezien als reden voor diagnostiek, ondersteuning en medicalisatie. Dat kan echt wel wat voordelen hebben, want meer mensen krijgen dan de hulp die ze nodig hebben. Aan de andere kant roept ook vragen op over medicalisering van normaal gedrag.
ADHD en autisme blijven duidelijk verschillende aandoeningen. Autisme bepaalt hoe iemand communiceert, sociale signalen interpreteert en prikkels verwerkt. Autistische mensen denken vaak anders, houden van routines en zijn gevoeliger voor zintuiglijke informatie. ADHD heeft vooral invloed op concentratie, activiteit en impulscontrole. Mensen met ADHD zijn vaak snel afgeleid, vergeten dingen en hebben moeite met het volgen van instructies.
Dat deze profielen nu vaker in mildere vorm worden gediagnosticeerd, betekent niet dat de aandoeningen minder ernstig zijn geworden. De onderzoekers benadrukken dat de impact voor individuele gevallen nog steeds groot kan zijn.
Professor Frith merkt op dat nieuw gediagnosticeerde personen tegenwoordig veel meer lijken op hun leeftijdsgenoten die
niet gediagnosticeerd zijn. Dat betekent dat de groep mildere gevallen groeit, terwijl de zwaarst getroffen individuen minder zichtbaar worden. Het is een verschuiving die zowel kansen als uitdagingen met zich meebrengt. Aan de ene kant kan vroegtijdige herkenning helpen om problemen te voorkomen. Anderzijds ontstaat het risico dat normale variatie in gedrag en ontwikkeling steeds vaker wordt gezien als afwijking.
Dit alles zorgt voor een ietwat zorgelijk inzicht: Hoe ver kunnen we de grenzen van diagnose oprekken voordat het label zijn betekenis verliest? En hoe zorgen we ervoor dat mensen die daadwerkelijk intensieve ondersteuning nodig hebben, niet ondergesneeuwd raken in een zee van mildere gevallen?
[1] Tarp et al: Changes in Characteristics Associated With ADHD and ASD Diagnoses Over Time in JAMA Psychiatry : 2026