Jaargang 24
Nummer 9 - september 2026
Fred de Vries - Auteur

ReNU: Een nieuw syndroom

Dit wordt een wat wetenschappelijk artikel, voornamelijk bedoeld voor huisartsen die door de drukte in hun praktijk achterlopen met het lezen van hun vakbladen.

Het ReNU Syndroom, is een afkorting van RNA-splicing Neurodevelopmental disorder caused by U4-2 variants. Het is een in 2024 voor het eerst beschreven monogene aandoening die ontstaat door de novo varianten in het gen RNU4-2. Dit gen codeert voor U4-snRNA, een essentieel onderdeel van het major spliceosome, het cellulaire complex dat verantwoordelijk is voor de nauwkeurige verwijdering van introns uit pre-mRNA. De identificatie van deze aandoening vormt een belangrijke uitbreiding van het spectrum aan spliceosomale neurologische ontwikkelingsstoornissen, een categorie die tot voor kort slechts enkele zeldzame syndromen omvatte.

Ontdekking en genetische basis
Het syndroom werd vrijwel gelijktijdig ontdekt door twee onafhankelijke onderzoeksgroepen. Een team, geleid door Daniel Greene, werkzaam aan de Icahn School of Medicine in Mount Sinai, identificeerden binnen de omvangrijke dataset van Genomics England een opvallend cluster van de novo varianten in RNU4-2[1]. Deze dataset omvat meer dan honderdduizend volledig gesequencede genomen, waardoor statistische patronen in zeldzame varianten zichtbaar worden. Parallel aan deze bevindingen rapporteerden Yuyang Chen en collega's van de University of Oxford dezelfde genetische afwijking in een internationaal cohort van kinderen met onverklaarde neurologische ontwikkelingsproblemen[2]. De meest voorkomende variant betreft een single base pair insertion (n.64_65insT) in het U4-snRNA.

Structurele analyses laten zien dat deze insertie de interactie tussen U4 en U6 verstoort, wat leidt tot destabilisatie van de U6-ACAGAGA-loop en foutieve herkenning van 5'-splice-plaatsen. Het gevolg is een breed scala aan splicingfouten in het transcriptoom, veroorzaakt door een mutatie die zich in een regio van slechts dertien nucleotiden bevindt.

Klinische kenmerken
Het klinische beeld van het ReNU Syndroom is relatief consistent, hoewel de ernst van de symptomen varieert tussen individuen. De meeste patienten presenteren zich in de neonatale of vroege infantiele periode met hypotonie en vertraagde motorische ontwikkeling. De cognitieve beperkingen zijn doorgaans ernstig, waarbij veel kinderen een minimale of geheel afwezige spraakontwikkeling vertonen. Daarnaast is er sprake van globale ontwikkelingsachterstand, epilepsie die in sommige gevallen therapieresistent kan zijn, en voedingsproblemen die kunnen leiden tot behoorlijke achterstanden in het behalen van het verwachte gewicht. Structurele hersenafwijkingen, waaronder ventriculomegalie, worden regelmatig gerapporteerd, evenals skeletproblemen zoals heupdysplasie, hypermobiliteit en osteopenie[3]. Visuele beperkingen komen eveneens voor, en de mobiliteit varieert van lichte balansproblemen tot volledige rolstoelafhankelijkheid. Opmerkelijk is dat veel ouders een sociaal en affectief temperament beschrijven, ondanks de ernstige communicatieve beperkingen.




Handboek PDD-NOS Column: september 2026

Varianten en verwante aandoeningen
Hoewel het ReNU Syndroom autosomaal dominant is, betreft het vrijwel altijd de novo varianten, waardoor ouders meestal geen dragers zijn. Een nauw verwante aandoening is het RNU2-2 Syndroom, dat wordt veroorzaakt door recessieve varianten in RNU2-2, een ander snRNA-gen dat eveneens een rol speelt in het spliceosoom. Deze aandoening vertoont fenotypische overlap met het ReNU Syndroom, maar kent een grotere variabiliteit en een hogere prevalentie van epilepsie. De parallelle ontdekking van beide syndromen suggereert dat snRNA-defecten een bredere en tot nu toe onderschatte categorie van neurologische ontwikkelingsstoornissen vormen.

De diagnose
De diagnose van het ReNU Syndroom vereist moleculair genetisch onderzoek, bij voorkeur via whole-genome sequencing of gerichte analyse van snRNA‑genen. Omdat de klinische kenmerken niet uniek zijn en overlappen met diverse andere neuro‑ontwikkelingsstoornissen, is genetische bevestiging essentieel om misdiagnoses te voorkomen. Functionele assays, zoals RNA-splicing-profilering, kunnen aanvullende ondersteuning bieden bij het vaststellen van de pathogene impact van de varianten.

Een route naar behandeling
Hoewel er momenteel geen behandeling bestaat, biedt de (relatieve) genetische eenvoud van het syndroom een duidelijke route naar toekomstige RNA-gerichte interventies. De huidige zorg richt zich op multidisciplinaire ondersteuning, waaronder epilepsiebehandeling, fysiotherapie, logopedie, voedingsondersteuning en monitoring van botgezondheid. Toekomstige therapeutische behandelmethodieken zullen zich richten op stabilisatie van het snRNA, antisense-oligonucleotiden die foutieve splice-site-herkenning corrigeren, en RNA-suppletie of gene replacement, analoog aan benaderingen die worden onderzocht voor andere spliceosomale aandoeningen. De beperkte mutatie-hotspot en het uniforme mechanisme maken het ReNU Syndroom bijzonder geschikt voor precisiegeneeskunde.

[1] Greene et al: Mutations in the U4 snRNA gene RNU4-2 cause one of the most prevalent monogenic neurodevelopmental disorders in Nature Medicine : 2024
[2] Green et al: Mutations in the U2 snRNA gene RNU2-2P cause a severe neurodevelopmental disorder with prominent epilepsy in medRxiv : 2024
[3] Chen et al: De novo variants in the RNU4-2 snRNA cause a frequent neurodevelopmental syndrome in Nature : 2024